Ode aan de Ingooi

Bron: www.dekelderklasse.nl

Ode aan de Ingooi

Iedere week schrijft Dion van Meel een ode aan de Kelderklasse. Aan onze onvoorwaardelijke liefde voor knollenvelden, harde ballen en bier. Van Meel staat aan de zijlijn en geeft commentaar. ’t Zit ‘m in de details. Als laatste column voor winterstop schrijft hij een Ode aan de Ingooi.

“Nee Steef! Laten liggen, die bal!”

Normaliter had Stefan die bal natuurlijk gewoon op mogen pakken. Stefan is namelijk onze back. Het is toch vrij normaal in ons aanvallende Nederlandse voetbal dat de middenvelders en aanvallers de ballen laten liggen voor de backs, die deze dan mogen ingooien. Ook om zo weer wat tijd te winnen. Heerlijk is dat, als de back de bal rustig komt halen, hem oppakt en nog effe droog poetst onder zijn shirt, een aanloop neemt, de beweging maakt om in te gooien, maar dan toch effe wacht op de lijn met de bal al in zijn nek, vragend rondkijkt, en de bal vervolgens langs de zijlijn gooit, waarna de bal weer wordt uitgerost, zodat hij de bal weer rustig kan gaan halen, tot grote ergernis van die tegenstander.

Normaliter had dit dus gewoon gemogen inderdaad. Maar bij ons niet. Want Stefan kan niet ingooien.

Eigenlijk is dit pas een probleem als de bal heel vaak uitgaat. Eerst hadden we – toen Stefan er nog niet was – op zijn plek een speler staan die uitstekend kon ingooien. Ver, strak, foutloos en stijlvol. Maar die vent is nu onze aanvaller. Dat wilde hijzelf. Omdat –ie graag rent ofzo. Dus nu helpen we hem door ballen blind naar voren te rossen in de hoop dat hij er dan met zijn drie longen nog achteraan gaat. Maar omdat die rosballen dus altijd over de zijlijn belanden, is het een probleem.

Dus Stefan mag niet meer ingooien. We hebben ‘m genoeg kansen geboden. Het een paar wedstrijden aangekeken. Keer op keer gewacht, verwachtend dat hij stappen zou maken. Maar hoe hard hij ook zijn best deed: het lukte hem niet. Ook híj probeerde echt alles. Luisterde naar onze tips, probeerde verschillende stijlen uit, keek Youtube-filmpjes. Maar als -ie dan weer zo’n filmpje had gezien waarin iemand een enorm lange aanloop nam, deed Stefan ook zo’n lange aanloop, waardoor –ie halverwege met de bal in z’n handen op z’n plaat ging, om daarna weer op te krabbelen, door te rennen en hands te maken omdat hij in het remmen voorover het veld in viel. Of hij deed de ingooi te nonchalant. Kwamen z’n twee benen los van de grond of gooide hij de bal tegen z’n eigen achterhoofd aan.

Een aantal keer gleed de bal uit z’n handen, één keer deed –ie uit zichzelf een slingerworp, wat dus niet mocht van de scheids, twee keer gooide hij de bal vol op de neus van onze spits en vaker deed hij alles goed, maar liet hij de bal pas los als zijn handen ter hoogte van zijn middel waren, waardoor hij de bal in z’n eigen voeten plaatste. Soms ging ’t wél goed, of keek de scheids niet goed, wat dan weer leidde tot een levensgevaarlijke kans voor de tegenstander, omdat niemand dit had zien aankomen en dus stilstond.

Het is toch vrij normaal in ons aanvallende Nederlandse voetbal dat de middenvelders en aanvallers de ballen laten liggen voor de backs, die deze dan mogen ingooien. Dion van Meel

Stefan zal, ben ik bang, nooit in kunnen gooien. Echt: we hebben ‘m vertrouwen gegeven, ‘m gecoacht met loze woorden als “Kom op Steef! Het kan nog! Hup! Zet ‘m op!” maar het mocht niet baten. De enkele keer dat hij in ons team nu nog een balletje op mag gooien is op zaterdagavond als –ie vraagt of er iemand mee de kroeg in gaat.

We nemen het Stefan niet kwalijk. Het lijkt namelijk allemaal zo vanzelfsprekend, een goede ingooi, maar zo’n ingooi vergt techniek. Niet alleen die nonchalante ingooi op een teamgenoot die zich 10 seconden geleden al kwam aanbieden, waarna jij even wacht tot je de bal op zijn borst kan leggen omdat hij nu een meter van je afstaat, maar dan tóch niet naar hém gooit en hij kwaad wordt, maar ook die strakke en verre ingooi met die voetjes die precies op het juiste moment op de kalklijn bijsluiten, wat eruitziet als een gestroomlijnde turnoefening met een perfecte landing. Een goede ingooi eist perfectie. En perfectie vergt tijd in onze klasse. Dan mag ’t allemaal wat langer duren.

Er is een kans dat ’t té lang gaat duren voor Stefan. Want naast echt gras, douchen in de blote tampeloeres en kontjeglijden wordt de ingooi met uitsterven bedreigd. Bij onder-9 hoeft er al niet meer te worden ingegooid. Daar mogen ze gewoon indribbelen of trappen, ten behoeve van de snelheid van het spel en om spelbederf tegen te gaan. Maar wat de KNVB dan voor ‘t gemak vergeet, is dat voor de gemiddelde Kelderklassers dat zogenaamde ‘spelbederf’ zijn redding is. Die welkome rust. Die zuurstoffles als -ie niet meer kan. Effe die bal wegjanken en bijkomen. Heerlijk die handen op de knietjes, gras uit de mond vissen, sokjes optrekken, effe bijpraten of een slechte grap maken of een braakje leggen dat dwarszit tot de bal weer wordt ingegooid; wat als dat niet meer mag?

Ik maak me zorgen. De ingooi mag nooit verdwijnen. Denk alleen al aan die hoeveelheid ingeleverde ballen bij de tegenstander. Dat is toch genieten? Een minuut doen om een bal in te gooien en vervolgens die bal op het hoofd van een tegenstander gooien; mooier wordt het echt niet. De ingooi speelt een hoofdrol is ons Kelderiaans theater van de lach. Alleen al daarom wil ik de ingooi blijven zien. De verre ingooi. De nonchalante ingooi. De ingooi met handstandoverslag. Maar ook die foute. Liefst zoveel mogelijk.

Vooruit, Steef: probeer ’t vandaag nog 1 keer; voor je ’t weet, mag het niet meer.