Ode aan de eerste coronaloze voetbaldag

bron: www.dekelderklasse.nl

Ode aan de eerste coronaloze voetbaldag

Iedere week schrijft Dion van Meel een ode aan de Kelderklasse. Aan onze onvoorwaardelijke liefde voor knollenvelden, harde ballen en bier. Van Meel staat aan de zijlijn en geeft commentaar. ’t Zit ‘m in de details. Dit keer schrijft hij een Ode aan de eerste coronaloze voetbaldag.

Het zijn woorden die we normaliter in ‘t weekend enkel horen als er weer eens een teamgenoot uitgebreid een NTR-cursus letterpoepen heeft zitten volgen op het kleedkamertoilet, waar -ie expres zijn letter Q in de pot heeft laten liggen met de deur open. Maar de woorden komen niet uit de kleedkamer. Kleedkamerhumor zit namelijk al 2 weken opgesloten. De kleedkamerdeur is dicht. De kantinedeur is vergrendeld. Het sportpark is gesloten. Slecht corona kan passeren, op zoek naar z’n zoveelste slachtoffer.

Het is deze boosdoener die ons de woorden bijna dagelijks doet uitspreken. Die ons momenteel in de houdgreep houdt als een dikke verdediger die nu sneller blijkt dan we allemaal dachten toen we hem 5 minuten voor de wedstrijd ‘t veld op zagen sjokken. Corona blijkt ons te snel af. Legt ons lam. Houdt ons stil. Corona houdt ons op de wisselbank en zorgt ondertussen voor lege voetbalvelden.

De dag dat we weer op onze hard geworden voetbalschoenen naar buiten mogen stormen als wilde koeien op de eerste lentedag.

Ik mis ze nu al. Niet alleen de velden, maar al die momenten, geluiden en dingen. De dingen van ons amateurvoetbal. Kleine dingen die ons lelijke voetbal iedere week weer kleur geven en groots maken. Ik kijk daarom nu al uit naar de eerste coronaloze voetbaldag. Het moment dat we weer mogen. Dat we ons weer gezamenlijk zonder angst voor andermans kwijl, rochels en scheten mogen omkleden in een te kleine kleedkamer, tegen elkaar aangeplakt op een houten bankje. De dag dat we weer op onze hard geworden voetbalschoenen naar buiten mogen stormen als wilde koeien op de eerste lentedag. Onze voetbalvelden tegemoet.

Ik kijk uit naar hoe fit we zullen zijn als we weer mogen. Hoe soepel onze enkels zullen voelen. Onze knieën. Onze liezen. Hoe gemakkelijk we onze gewrichten weer zullen kunnen bewegen. Gewrichten waar we al seizoenen last van hadden, maar die nu eindelijk eens de tijd kregen om te herstellen. Al is het maar voor even; die zakken quarantainechips zullen er geheid voor zorgen dat we weer snel terug zijn op ons oude niveau.

Ik kijk uit naar onze velden. Oh die velden. Grasmatten die net als onze gewrichten de tijd kregen om te herstellen in het zachte lenteweer. Door de materiaalman verzorgde en versgeschoren, natte grasvelden die straks in volle glorie zullen schitteren als gelkoppen in de ochtendzon, wachtend om weer aangeraakt te worden. Laat die zaag maar komen; ik zal met alle liefde neergaan als een stervende zwaan in gras dat zal aanvoelen als dons.

Het meest verlang ik naar competitievoetbal in die zon. Naar lelijk voetbal tussen mooiweervoetballers in zweterige temperaturen. Want als onze KNVB het toelaat, mogen we straks eindelijk eens doorvoetballen in mei en juni. In maanden waarin ons gras vaak dor en uitgeput is, maar nu zal smachten naar onze noppen. Ik verlang naar het gefluit van vogels en de scheids. Naar rode verbrande koppen na een 5-0 verlies. Naar aangeschoten, ongedouchte smoelen, liggend op het veld na een pot in de avondzon. De schaafwonden die plakken aan mijn korte spijkerbroek zal ik voor lief nemen.

En terwijl m’n gedachten waarschijnlijk soms zullen afdwalen naar al die supporters, vrijwilligers en andere clubiconen die hun leven lang alles deden om hun amateurclub in leven te houden, maar zelf ten onder gingen aan corona, zal ik genieten.

We zullen moeten doorbijten. Maar straks, alles over is en we meer mogen, zullen we genieten. Van een prachtige coronacompetitie.